Uit de praktijk
Sara en Ammar
» Dianne Kroezen
Sara en Ammar: Interview Reformatorisch dagblad met Dianne J.I. Kroezen van Van der Woude de Graaf Advocaten
Met zijn Syrische ambtsgenoot overlegde minister Bot van Buitenlandse Zaken de afgelopen weken over het lot van de Ammar en Sara. In de laatste week van juni verscheen het tweetal plotseling op de Nederlandse ambassade in Damascus, waar ze sindsdien worden verzorgd en bewaakt.
Hoe ze bij de ambassade belandden, blijft voorlopig een raadsel. In augustus 2004 ontvoerde hun Syrische vader ze vanuit Oude Pekela naar zijn land, nadat een Nederlandse rechter de kinderen aan hun moeder had toegewezen. De afgelopen twee jaar zouden ze tegen hun zin in Damascus hebben gewoond.
Volgens de officiële lezing heeft de moeder van de twee ze afgelopen najaar tijdens een van haar spaarzame bezoekjes heimelijk het adres en een routebeschrijving naar de ambassade gegeven. Ammar en Sara zouden vervolgens op eigen kracht bij de ambassade zijn beland. De Syrische vader houdt het erop dat Nederlands ambassadepersoneel zijn kinderen heeft ontvoerd. De Syrische geheime dienst kan daarvoor het bewijs leveren, zei hij vorige week.
Woensdag kwam hij overladen met cadeautjes in beeld, terwijl hij probeerde Ammar in de ambassade met zijn dertiende verjaardag te feliciteren. Tevergeefs, hij kwam er niet in. In Nederland liet de moeder weten haar kinderen liever nog gisteren dan vandaag in de armen te willen sluiten. „Elke keer als Ammar met mij belde, zei hij: Ik heb maar een wens. Dat ik op mijn verjaardag weer in Nederland ben.”
Had deze tragedie voorkomen kunnen worden? „Als de ouders eerder waren geinformeerd over hun rechtspositie en die van hun kinderen en deze vader zich vroegtijdig bewust was geweest van het internationaal strafbare karakter van zijn daad mogelijk wel”, zegt advocate Dianne Kroezen van Van der Woude de Graaf Advocaten in Amsterdam, die van internationale familiezaken, waaronder kinderontvoeringen haar specialisme heeft gemaakt. Kroezen acht het mogelijk dat de vader zich van geen kwaad bewust is. „Soms redeneert de ontvoerende ouder nl: Dit is geen ontvoering, want het is toch mijn kind.”
Het verblijf van Ammar en Sara op de ambassade in Damascus kan best uit de hand lopen, vreest Kroezen. „In de ogen van de Syriërs deed en doet de vader niets verkeerd. Veel zal daarom afhangen van de vraag hoe de Ambassade en Buitenlandse Zaken zich houden. De moeder heeft dit niet meer in de hand. Er moet diplomatieke druk worden uitgeoefend, maar ik sluit een rel niet uit.”
Alles draait bij een internationale kinderontvoering om de vraag of de achtergebleven ouder zich op het Haagse Kinderontvoeringsverdrag kan beroepen. Dit verdrag dat in 1980 (sinds 1 september 1990 voor Nederland in werking is getreden) tot stand kwam is inmiddels door 170 landen ondertekend en regelt de teruggeleiding van ontvoerde kinderen naar hun eigen land.
Volgens het verdrag dient elke deelnemende lidstaat een Centrale Autoriteit aan te stellen, die is belast met de uitvoering. In Nederland is dat de afdeling Juridische en Internationale Zaken van de directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie.
Wanneer een Nederlandse ouder zijn of haar kind ongeoorloofd meeneemt naar Nederland stuurt de Centrale autoriteit een aangetekende brief. Daarin verzoekt zij de ouder het kind vrijwillig terug te geleiden. Weigert deze, dan wordt een gerechtelijke procedure ingesteld, die tot een beslissing over de terugkeer moet leiden. Binnen een termijn van zes weken moet deze procedure zijn afgerond.
Bij kinderontvoering vanuit Nederland legt de Centrale Autoriteit namens de achterblijvende ouder een verzoek tot teruggeleiding neer bij de Centrale Autoriteit van het land, waarnaar het kind is overgebracht. Is het land in kwestie niet bij het verdrag aangesloten, dan rest slechts de weg van de (stille) diplomatie. De Nederlandse Ambassade in het betreffende land treedt daarbij in overleg met het ministerie van Buitenlandse Zaken aldaar.
Dat een land het ontvoeringsverdrag heeft getekend is geen garantie voor een goede afloop. Kroezen: „Het is een teruggeleidingsverdrag dat geen garanties bevat voor het welzijn van het kind. Een moeder die wegens mishandeling met haar kind naar Nederland is gevlucht, kan te horen krijgen dat ze haar kind toch moet terugsturen. Waarborgen dat de vader garant staat voor bijvoorbeeld huisvesting en levensonderhoud van de moeder met kind zijn er niet.”
Als een kind ontvoerd is naar een islamitisch land dat het verdrag niet heeft ondertekend is de kans op terugkeer minimaal. Zo registreerde het Ministerie van Justitie in 2005 38 inkomende zaken, waarbij een Nederlandse ouder zijn of haar kind ongeoorloofd meenam naar Nederland. In 75 gevallen was in 2005 sprake van kinderontvoering naar het buitenland.
Van de 38 in 2005 inkomende zaken waren er in maart 14 afgerond, van de 75 in dat jaar uitgaande zaken 33. Over de 16 ontvoeringen naar een niet verdragsland met islamitisch familierecht schreef Minister Donner in maart echter: „Teruggeleiding via de diplomatieke weg is een zeer moeizaam proces en heeft in het merendeel van de gevallen niet tot resultaat dat een kind wordt teruggeleid naar Nederland.”
Waar het zoal spaak kan gaan bij een ontvoering naar een islamitisch, niet verdragsland illustreert Kroezen met een voorbeeld uit haar eigen praktijk. Het betreft een ontvoering naar Libanon door een uit dat land afkomstige vader. Het huwelijk van de twee was in Nederland voltrokken door een islamitische geestelijke. „Daardoor was er sprake van een niet rechtsgeldig huwelijk, dat de vrouw uiteindelijk wel parten gespeeld heeft”, legt Kroezen uit.
„Landen als Libanon en Syrië is er veel aan gelegen de rechtspositie van kinderen naar hun normen “goed” te regelen. Ze hechten eraan te voorkomen dat een kind juridisch gezien de status van een buitenwettelijke (zogenaamd “bastaardkind”) heeft.
Daar komt bij dat de rechter in Nederland een procedure over het gezag moet opschorten tot de procedure over de teruggeleiding is afgehandeld. De rechter in vele andere (ook verdragsaangesloten) landen, waaronder ook Libanon is daar niet aan gehouden. Zodoende kreeg de vader in Libanon het gezag over zijn kind al toegewezen, terwijl er nog over de terugkeer onderhandeld werd door de ambassade.
Voor hun eigen interne rechtsbestel is de positie van dit kind nu in orde, maar ik acht het niet in zijn welzijn, aangezien het kind plotseling van de moeder - bij wie hij zijn leven lang in Nederland woonde - is weggenomen en haar niet meer ziet. Ook kan de moeder het kind niet eens opzoeken, nu de man op basis van dat “huwelijk” de moeder zou kunnen verbieden Libanon te verlaten. In deze zaak staan de twee rechtssystemen haaks op elkaar en het kind is daar mijns inziens de dupe van.”
Van een aantal achterblijvende ouders is bekend dat ze uit wanhoop het recht in eigen hand nemen. Samen met een privé detective reizen ze af naar het buitenland en halen hun kind dan eigenhandig terug. „Als het kind is ontvoerd naar een islamitisch, niet verdragsland kan ik daar als mens zijnde onder bepaalde omstandigheden begrip voor opbrengen”, zegt Kroezen, „maar ik zal mijn cliënten nooit aanraden hetzelfde te doen.”
Of de moeder van Ammar en Sara haar hoop dan maar moet blijven vestigen op de stille diplomatie? „Er zit weinig anders op”, zegt Kroezen, die aantekent dat de onvoorspelbaarheid van diplomatieke onderhandelingen in haar voordeel kan zijn. „Dat ze gaande zijn, ziet niemand en soms is er dan in een keer uit de hoge hoed een gunstig resultaat.”