Uit de praktijk Onder bedreiging afsluiten van een abonnement voor een mobiele telefoon

» Bart Tonen

 

Het komt in de praktijk regelmatig voor dat iemand (vaak een jongere; ik zal hem hier voor het gemak Jan noemen) door derden onder bedreiging met lichamelijk geweld wordt gedwongen een abonnement voor een mobiele telefoon af te sluiten. Jan wordt dan door deze derden meegenomen naar een winkel waar mobiele telefoons worden verkocht en waar abonnementen daarvoor kunnen worden afgesloten. Veelal wordt dan een langdurig en kostbaar abonnement aangegaan, zodat een dure telefoon gratis wordt bijgeleverd. De derden eigenen zich de telefoon toe en  gaan deze intensief gebruiken; de kosten daarvan en van het abonnement komen voor rekening van het slachtoffer.

Voor Jan die dit is overkomen is het vooral van belang dat hij snel nadat de bedreigende situatie is opgeheven daarvan aangifte doet bij de politie (bedreiging en diefstal van de mobiel). Verder moet hij zo snel mogelijk contact opnemen met de provider waarmee het abonnement is afgesloten en melden hoe het contract tot stand gekomen is (het is verstandig daarbij een kopie van de aangifte bij de politie te overleggen). Door de mobiel als gestolen/vermist op te geven kan de provider deze snel blokkeren, zodat er geen kostbare gesprekken meer mee gevoerd kunnen worden. Hierdoor kan de schade beperkt blijven. Na het blokkeren moet het slachtoffer het contract ook nog schriftelijk opzeggen bij de provider en daarbij melding maken van de reden van de opzegging (contract onder bedreiging aangegaan).

Veel providers weigeren deze opzegging te accepteren en willen het slachtoffer houden aan de volle duur van het contract (vaak twee jaar) en vorderen in een procedure de schade die zou bestaan uit de niet betaalde abonnementskosten, de gemiste inkomsten uit gesprekskosten en / of  de kosten de (gratis) verstrekte mobiel.

Als Jan in een dergelijke procedure aanvoert dat hij de overeenkomst met de provider vernietigd heeft omdat deze onder dwang (bedreiging) is aangegaan, dan wordt het beroep op dit zogenaamde wilsgebrek (art 3:44 BW) door de rechter niet gehonoreerd. Immers,  het is niet de partij waarmee het contract is aangegaan (de provider) geweest die heeft bedreigd, maar een derde, die geen partij was bij de overeenkomst. De provider voert meestal met succes aan dat hij niet heeft geweten en ook niet kon weten dat het slachtoffer onder bedreiging het contract heeft getekend (Jan mag bewijs leveren van het tegendeel, maar dat is voor hem vrijwel onmogelijk omdat naast de vertegenwoordiger van de provider en de bedreiger(s), meestal geen andere (bruikbare) getuigen bij het sluiten van de overeenkomst aanwezig zijn geweest).

Toch blijkt de opzegging van de overeenkomst op grond van een dergelijke bedreiging niet zonder betekenis, aangezien de rechter daarin veelal een reden ziet om de schadevorderingen van de provider aanzienlijk te beperken.  Het uitgangspunt daarbij is dat het contract weliswaar geldig is afgesloten, maar dat dit – gelet op de bijzonder omstandigheden waaronder dit is aangegaan (de bedreiging) – wel voortijdig kan worden opgezegd (ontbonden). De rechter zal dan bepalen dat alle kosten die gemaakt zijn vanaf het moment van afsluiten van het contract tot het moment van opzeggen door het slachtoffer moeten worden betaald (abonnement – en gesprekskosten; hieruit blijkt ook het belang van het snel opzeggen). Daarnaast zal hij veelal nog veroordeeld worden (een deel van) de kosten van de gratis ter beschikking gestelde mobiel te vergoeden.

[zie voor relevante uitspraken bijvoorbeeld LJN: BA2024, LJN: BD1629 en LJN: BI0966]