Uit de praktijk Schulden bij echtscheiding

» Dianne Kroezen

 

Bepalend voor de aansprakelijkheid voor schulden en de mogelijkheden tot verhaal door derden (schuldeisers) bij gehuwden/geregistreerde partners is geheel afhankelijk in welk huwelijksgoederenregime zij gehuwd zijn. Daarbij zijn er een drietal mogelijkheden:

  1. Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd;
  2. Partijen zijn op huwelijksvoorwaarden met elkaar gehuwd;
  3. Partijen zijn met elkaar gehuwd, maar op het huwelijksgoederenregime is een ander dan Nederlands recht van toepassing.

1. In merendeels van de gevallen zal er sprake zijn van de situatie nummer 1:

Tijdens het huwelijk (Titel 6 en 7 boek 1 BW):

Zodra partijen met elkaar gehuwd zijn, bestaat tussen partijen van rechtswege een algehele gemeenschap van goederen (art. 1:93 BW), tenzij zij bij huwelijksvoorwaarden daarvan zijn afgeweken.

Intern (draagplicht):

Art. 1:81 BW: zegt dat partijen elkaar het nodige dienen te verschaffen. Wat dat in concreto inhoudt is niet bekend en ook niet af te leiden uit de jurisprudentie. In ieder geval kan daaruit volgens de Hoge Raad niet worden afgeleid, dat de vrouw, die buiten gemeenschap van goederen gehuwd is, aanspraak zou kunnen maken op de overdracht van een deel van het vermogen van de man.

Intern zijn echtgenoten overigens in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor gemeenschapsschulden.

Extern (aansprakelijkheid):

Art. 1:85 BW: geeft aan dat de beide echtgenoten voor het geheel aansprakelijk zijn voor schulden, die ten behoeve van de huishouding zijn aangegaan. Wat onder deze categorie verstaan moet worden zijn bijvoorbeeld: een schuld waarmee een auto is aangeschaft of lopende verplichtingen: zoals huurpenningen, gas, water en licht etc.

Art. 1:88 BW zegt vervolgens dat voor bepaalde rechtshandelingen de toestemming van de andere echtgenoot nodig is. Ik noem enkele populaire voorbeelden: huurkoop, waaronder aandelenleaseconstructies, maar bijvoorbeeld ook het opzeggen van het huurcontract van de echtelijke woning. Vernietiging van deze rechtshandelingen (en de gevolgen daarvan) door de andere echtgenoot is mogelijk (ook na echtscheiding).

Gaan we naar de gemeenschap van goederen tijdens het huwelijk, dan geeft boek 1 al aan, dat de omvang van de gemeenschap bestaat uit:

Alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten, met uitzondering van de goederen, die bij uitsluitingsclausule zijn geërfd of geschonken.

Dat betekent met betrekking tot schulden als volgt:

Iemand huwt bijvoorbeeld in algehele gemeenschap van goederen met een ander, die al schulden heeft. Ten gevolge van het huwelijk wordt de echtgenoot van de schuldenaar mede aansprakelijk voor deze schulden. Ook al heeft de echtgenoot niet meegetekend en wist mogelijk niet eens van het bestaan van deze schulden, dan nog is deze echtgenoot door het huwelijk mede aansprakelijk geworden.

In boek 1 is er een uitzondering gemaakt voor zogenaamde “verknochte” goederen en schulden, waarbij de (aard van de) verknochtheid zich ertegen verzet, dat deze goederen in de gemeenschap vallen.

Voor de verhaalbaarheid van een gemeenschapsschuld (bijvoorbeeld voor de huishouding) aangegaan door de ene echtgenoot, is in art. 1:95 BW bepaald, dat de goederen van de gemeenschap, alsmede de goederen van de echtgenoot in kwestie voor verhaal gebruikt kunnen worden. Mocht een echtgenoot een gemeenschapsschuld met privégelden voldaan hebben, dan heeft deze echtgenoot een vordering op de gemeenschap: “reprise” (1:95 BW). Bij echtscheiding zal eerst deze vordering moeten worden voldaan, waarna het vermogen bij helfte verdeeld kan gaan worden.

De tegenovergestelde situatie is dat voor een privéschuld de gemeenschapsgoederen gebruikt kunnen worden voor verhaal. Indien deze schuld is voldaan uit de gemeenschap ontstaat er een vordering van de gemeenschap op die echtgenoot: récompense (1:96 BW).

Bij/na echtscheiding (Titel 7 boek 3 BW):

Bij echtscheiding wordt de gemeenschap ontbonden en wordt eerst dan vatbaar voor verdeling. Daarbij hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap: 50/50.

De daarbij te hanteren waarde van de goederen wordt bepaald op de datum van feitelijke verdeling, tenzij uit de redelijkheid en billijkheid iets anders voortvloeit of partijen een andere datum zijn overeengekomen. Bij een rechterlijke beschikking/vonnis geldt normaal gesproken de datum van de beschikking/vonnis als peildatum voor de waardering van de gemeenschap.

Er kan in uitzonderingsgevallen worden afgeweken van de verdeling bij helfte. Dat is bijvoorbeeld in geval van de vermoorde bruid: de man heeft het plan om de door hem verzorgde, veel oudere, vrouw te doden. Daarom kwam hem geen aandeel uit het vermogen van de vrouw toe.

Na de echtscheiding blijven beide echtgenoten voor het geheel van de gemeenschapsschulden aansprakelijk, zoals zij daarvoor al waren. Dat betreffen dus de schulden die door de andere echtgenoot ten behoeve van de gewone gang van de huishouding zijn aangegaan, de gemeenschapsschulden, die door deze echtgenoot zelf zijn aangegaan en de schulden, waarvoor deze echtgenoot op basis van een overeenkomst of een andere (wettelijke) regeling hoofdelijk aansprakelijk was en is.

Na de echtscheiding wordt de (ex)echtgenoot tevens voor de helft aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden, die door zijn/haar echtgenoot zijn aangegaan. Voor deze helft is deze echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk. Dat betekent dat, ook al heeft de echtgenoot A, die de schuld was aangegaan, al 40 % van de totale som betaald, dan kan de schuldeiser bij echtgenoot B aankloppen voor 50 % van de totale schuld.

Afstand

Een echtgenoot die afstand doet van de gemeenschap, doet afstand van deze extra aansprakelijkheid (1:103 lid 4 BW). Hij blijft echter aansprakelijk voor de schulden van de gemeenschap, waarvoor hij/zij vóór de echtscheiding al aansprakelijk was. Afstand kan slechts gedurende drie maanden na de ontbinding gedaan worden door een akte te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister.

Kortom: na de echtscheiding kunnen schuldeisers van een gemeenschapsschuld zich verhalen op: de ontbonden gemeenschap, het privévermogen van de echtgenoot, die de schuld is aangegaan of die op grond van art. 1:85 BW medeaansprakelijk is, of op de helft van het privévermogen van de andere echtgenoot.

Na de echtscheiding ontstaat er ten aanzien van privéschulden geen verandering in de mogelijkheden tot verhaal door schuldeisers.

Voor schulden, die na de echtscheiding ontstaan, kunnen slechts op het privévermogen van de persoon, die deze is aangegaan en daarvoor dus aansprakelijk is, worden verhaald, want deze staan buiten de gemeenschap.

Elke echtgenoot is intern draagplichtig voor de helft. Mocht een echtgenoot meer dan de helft hebben voldaan, dan heeft hij/zij een vordering op de andere echtgenoot voor het meer dan zijn/haar aandeel (50%) betaalde.

De schuldeisers van de gemeenschap behouden bij de echtscheiding hun recht van verhaal op de goederen van de gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn.

Opheffing gemeenschap

Overigens kunnen echtgenoten, ter voorkoming van grote financiële risico’s, tijdens hun huwelijk vragen om de opheffing van de gemeenschap (1:109 BW). Bijvoorbeeld wanneer de andere echtgenoot lichtvaardig schulden maakt, gemeenschapsgoederen verspilt of handelingen verricht die indruisen tegen het bestuur door de andere echtgenoot of weigert daarover de nodige informatie te verstrekken. Deze opheffing moet openlijk worden bekendgemaakt, door middel van de inschrijving in het huwelijksgoederenregister (1:112 BW).

2. Situatie nummer 2: de huwelijksvoorwaarden (Titel 8 van boek 1 BW):

Huwelijksvoorwaarden kunnen voor of tijdens het huwelijk worden aangegaan bij (uitsluitend) notariële akte. Voor het aangaan van de huwelijksvoorwaarden tijdens het huwelijk is de toestemming van de rechtbank nodig. Een dergelijke procedure kan via de notaris gevoerd worden, een advocaat is aldus niet nodig. Daarbij is het van belang te weten, dat huidige schuldeisers niet mogen worden benadeeld door de invoering van de huwelijksvoorwaarden: “Dozyclausule”. Ook mag er geen strijd met de openbare orde of goede zeden optreden.

Zie ook het “Witloftrekken”-arrest: na een faillissement, dat in de gemeenschap viel, wilde de vrouw gaan werken. Partijen vroegen daarvoor de algehele gemeenschap van goederen om te zetten in huwelijksvoorwaarden. Zowel rechtbank als hof weigerde de toestemming te verlenen wegens benadeling van schuldeisers, maar de Hoge Raad gaf alsnog toestemming, aangezien het niet ging om benadeling, doch om géén bevoordeling van de schuldeisers.

De meest voorkomende huwelijksvoorwaarden geven een algehele uitsluiting van elke gemeenschap van goederen weer. Daarnaast worden de kosten van de huishouding gedefinieerd en worden deze kosten over de te ontvangen inkomsten verdeeld (bv bij helfte of naar evenredigheid van netto inkomsten en vermogen). Ook worden de inkomsten nader gedefinieerd. Tenslotte worden de pensioenen (en steeds meer de overige oudedagsvoorzieningen) geregeld.

De zogenaamde periodieke verrekenbedingen zijn sinds begin van deze eeuw niet langer populair om in huwelijksvoorwaarden op te nemen, aangezien deze tot zeer ingewikkelde rechtspraak geleid hebben. Huwelijken gesloten in de jaren negentig hebben nogal eens periodieke “Amsterdamse” verrekenbedingen.

Bij huwelijksvoorwaarden is het altijd van belang te vragen naar de bedoeling van partijen “Haviltexcriterium”. Mocht de tekst niet duidelijk genoeg zijn en partijen krijgen een geschil daarover, dat is het in de rechtspraak nogal eens als van doorslaggevend belang beschouwd, welke bedoeling partijen destijds gehad hebben bij de totstandkoming en inhoud van de huwelijksvoorwaarden.

3. Situatie nummer 3: ander dan Nederlands recht is op het huwelijksgoederenregime van toepassing.

Dit is het geval als de echtgenoten vóór de sluiting van hun huwelijk een rechtskeuze (voor een ander recht dan het Nederlandse) gemaakt hebben. Dat zou mogelijk bij huwelijksvoorwaarden gebeurd kunnen zijn. Ook tijdens het huwelijk kunnen echtgenoten een rechtskeuze maken (keuze is beperkt tussen het recht van de nationaliteit van een der echtgenoten of het recht van de gewone verblijfplaats van een der echtgenoten of het recht van de staat waar een der echtgenoten na het huwelijk een nieuwe gewone verblijf vestigt (art. 3 Haags Verdrag 1978).

Meestal kom ik in mijn praktijk geen rechtskeuzes tegen. Desondanks kan het zo zijn, dat er ander recht, dan het Nederlandse, moet worden toepast op het huwelijksgoederenregime van partijen. Dat komt vaak voor bij echtgenoten, die verschillende nationaliteiten bezitten ten tijde van het huwelijk.

Volgens het Haags Verdrag van 1978, dat voor Nederland in werking getreden is op 1 september 1992, is bij het ontbreken van een rechtskeuze, het recht van het land waar partijen hun eerste huwelijksdomicilie hebben, van toepassing op het huwelijksgoederenregime. Hebben zij echter geen eerste huwelijksdomicilie, dan kan alsnog de gezamenlijke nationaliteit bepalend zijn voor het toepasselijke recht. Mochten er echter geen rechtskeuze, geen eerste huwelijksdomicilie en geen gemeenschappelijke nationaliteit zijn, dan geldt het recht van het land alwaar men alle omstandigheden in aanmerking genomen het nauwst mee verbonden is.

Nu is het zo, dat artikel 9 van dat Verdrag de rechtsbetrekkingen tussen de echtgenoten en derden bepaalt. Een rechtskeuze kan ingevolge deze bepaling alleen aan een derde worden tegengeworpen als deze gepubliceerd is geweest in het huwelijksgoederenregister, dan wel dat op het moment van het tot stand komen van de rechtsbetrekking met de derde deze derde het toepasselijke recht kende, dan wel behoorde te kennen. Zoals ik al zei, ik kom weinig rechtskeuzes tegen, laat staan, dat partijen die hebben doen inschrijven, waardoor deze tegen derden kan worden ingeroepen.

Samenwoners

Naast de gehuwden/geregistreerde partners zijn er ook nog de samenwonende partners, die met of zonder samenlevingscontract gemeenschappelijke vermogens creëren.

Dergelijke gemeenschappen betreffen de zogenaamde eenvoudige gemeenschappen. Dat betekent dat als men een gezamenlijk vermogen creëert, door bijvoorbeeld de aanschaf van een koopwoning, met een daarop gevestigde hypotheek en gekoppelde kapitaalverzekeringspolis, dan zijn deze partijen meestal ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning geworden. Beiden zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheek tegenover de hypotheekverstrekker. De kapitaalpolis is verpand, dus die komt ook weer volledig (dus ieder de helft) terug in de woning bij de uitkering daarvan aan het einde van de looptijd.

Door de creatie van dit gezamenlijke vermogen en de daarbij in de notariële akten opgenomen bedingen zijn partijen (wederom meestal) ieder gerechtigd tot de helft van dat gezamenlijke vermogen.

Van deze gelijke aandelen van elke partner kan worden afgeweken als een van partijen bijvoorbeeld privévermogen in het gezamenlijke vermogen heeft geïnvesteerd, bijvoorbeeld de winst, die bij de verkoop van een vorige woning van een der partijen is gerealiseerd. Dat deel is privévermogen gebleven, weliswaar geïnvesteerd in gezamenlijk vermogen. Dat deel zal eerst aan die partner moeten worden uitgekeerd, voordat men tot een verdere verdeling bij helfte van de (rest)overwaarde komt.

In geval er een schuld is afgelost doordat partijen een gezamenlijke schuld zijn aangegaan, die is gevestigd op de gezamenlijk gekochte woning, dan hebben partijen door de oversluiting van deze schuld tegenover de hypotheekverstrekker hoofdelijke aansprakelijkheid gecreëerd. Of partijen intern ieder voor de helft draagplichtig zijn, is niet zomaar het geval. Het gezamenlijk (negatieve) vermogen is bijvoorbeeld deels opgebouwd uit privéschuld van de ene partner. Dat betekent dat partijen in interne verhoudingen bij de beëindiging van de samenwoning met elkaar kunnen overeenkomen, dat het deel van de gezamenlijke schuld, dat niet aan de investering van de gezamenlijke woning is besteed, maar is besteed ter inlossing van de (privé)schuld van de ene partner, niet voor rekening van beiden komt. De partner, die deze schuld had is en blijft in dat geval tegenover de andere partner draagplichtig voor dat deel.

Let wel: hier komt het vaak op bewijs aan. Het is een kwestie van de (nog) aanwezige bewijsmiddelen of de partner erin slaagt om aan te tonen, dat dat deel van de hypotheek niet aan de woning of aan hen gezamenlijke huishouding/vermogen is besteed, maar dat dat is gebruikt ter inlossing van een privéschuld van de andere partner.

In het laatstgenoemde geval zou de hypotheekverstrekker bij de partner op basis van de hoofdelijke aansprakelijkheid de gehele som kunnen verhalen, maar bij betaling van meer dan zijn/haar aandeel verkrijgt hij/zij een vordering voor het teveel betaalde op de andere partner, die de schuld oorspronkelijk privé was aangegaan.

Kortom: houdt goed in de gaten dat er een interne draagplicht bestaat en een externe (vaak hoofdelijke) aansprakelijkheid.