logo Van der Woude de Graaf Advocaten

Compensatie in de WMO: de rechter als plaatsvervangend bestuurder?

Inleiding



Op 1 januari 2007 trad de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking. Daarin zijn de Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), en deels de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv) en de AWBZ samengebracht. Met de Wmo is de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke ondersteuning bij de gemeenten gelegd. Maatschappelijke ondersteuning is een breed begrip en omvat activiteiten die het de burger mogelijk maken om mee te doen in de samenleving. Dit ‘meedoen’ kan op velerlei manieren worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld met vrijwilligerswerk en mantelzorg, maar ook met goede informatie en advies, opvoedingsondersteuning en huishoudelijke hulp. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is in de Wmo verwoord in negen zogenoemde prestatievelden. Een van die prestatievelden wordt gevormd door de verstrekking van individuele voorzieningen aan mensen uit de doelgroep van de Wmo en heeft tot doel dat hun zelfstandig functioneren wordt behouden of bevorderd. In dit artikel richten we ons op de manier waarop de rechter de besluiten die het college van B&W in dat verband heeft genomen toetst.

De Wvg legde het gemeentebestuur de plicht op verantwoorde voorzieningen te treffen ten behoeve van zijn inwoners met beperkingen. Hoe het college dat deed was minder van belang, als het einddoel, de verantwoorde voorziening, maar werd gerealiseerd. Dat resultaat werd door de rechter marginaal getoetst. Slechts indien de ondergrens niet werd gehaald, toetste de rechter integraal. Met de Wmo is daar een verandering in opgetreden en inmiddels wordt het verschil in benadering duidelijk in de recente rechtspraak. De rechter toetst veel minder marginaal dan velen destijds verwachtten. Anouchka van Miltenburg (VVD), één van de indieners van het amendement dat leidde tot opname van de compensatieplicht in de Wmo, liet in de Kamer weten dat zij een uitwerking van de Wmo culminerend in individuele voorzieningen niet heeft beoogd.

In dit artikel wordt ingegaan op:

  • de verschillen in toetsing door de rechter tussen beide wetten;
  • de wijze waarop de compensatieplicht, zijnde een vage norm, wordt geoperationaliseerd door middel van de ICF (Internationale classificatie van het menselijk functioneren);
  • de beleidsvrijheid van de gemeente bij de opstelling van het plan, de verordening en uiteindelijk de individuele beschikking;
  • de vraag of de rechter onder de Wmo inderdaad meer indringend toetst en zo ja, of dat als gewenst moet worden beschouwd.

Schets van de Wmo

De primaire doelstelling van de Wmo is maatschappelijke ondersteuning te bieden zodat mensen zo lang mogelijk zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren en actief kunnen deelnemen aan de samenleving (‘meedoen’). Enerzijds moet dat worden bereikt door het particulier initiatief te steunen, anderzijds – als mensen en hun omgeving het niet zelf kunnen – door de gemeente de verantwoordelijkheid te geven die ondersteuning te organiseren. Het Rijk is systeemverantwoordelijk wat wil zeggen dat gezorgd moet worden dat met de Wmo de maatschappelijke doelen worden bereikt die de wetgever bij de Wmo voor ogen stonden. De Wmo bevat slechts de kaders waarbinnen de gemeenten, in grote vrijheid, de uitvoering ter hand kunnen nemen. De gemeente is onder de Wmo dus als eerste (overheidinstantie) aan zet en verantwoordelijk voor maatschappelijke ondersteuning.

De gemeenteraad moet op grond van artikel 3 lid 1 Wmo één of meerdere plannen opstellen waarin hij zijn te voeren beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning richting geeft. Dit plan neemt in het sturingsconcept van de Wmo een centrale plaats in. Het reflecteert als het ware het Wmo-beleid van de gemeente in brede zin. Het is niet de bedoeling dat het (beleids)plan allesomvattend is en dat het iedere kwestie tot in detail regelt, maar het is wel zó concreet dat het richting geeft aan de beslissingen die de gemeente dient te nemen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast moet de gemeenteraad op grond van artikel 5 Wmo een verordening vaststellen over de ingevolge artikel 4 Wmo door het college van B&W te verlenen individuele voorzieningen. In die verordening moeten ook de voorwaarden waaronder recht op dergelijke voorzieningen bestaat worden geregeld.

Het is goed voor ogen te houden dat artikel 4 Wmo in het oorspronkelijke wetsvoorstel met een geheel andere strekking was opgenomen. In het wetsvoorstel werd tot een bij AMvB te bepalen tijdstip voor bepaalde voorzieningen een gemeentelijke zorgplicht gecreëerd. Van die mogelijkheid wilde de regering terughoudend gebruikmaken en vooral ter facilitering van een zorgvuldige overgang. Gedacht werd aan rolstoelen, scootmobielen en huishoudelijke verzorging als in de AMvB te benoemen voorzieningen.

Omdat de zorgplicht een uitzondering op het dominante sturingsconcept (lokale beleidsvrijheid bij de invulling van de maatschappelijke ondersteuning) was, zou de zorgplicht van beperkte duur zijn. Dat pakte dus geheel anders uit. De Tweede Kamer nam een amendement aan ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar te voorzien in met name genoemde producten en diensten. Daarmee kreeg artikel 4 Wmo een geheel nieuwe formulering. Het legde gemeenten de algemene verplichting op beperkingen in de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie op een aantal resultaatsgebieden te compenseren. Artikel 4 luidt nu:

“Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.”

In tegenstelling tot de Wvg schrijft de Wmo dus niet voor welke voorzieningen het college moet treffen (en waarover de gemeenteraad nu precies regels moet vaststellen bij verordening), maar slechts dat het college een bepaald resultaat (compensatie) moet bereiken.

Doelgroep

De doelgroep van de maatschappelijke ondersteuning bestaat, gelet op artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4, 5 en 6 Wmo, uit mensen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. Die doelgroep is uitdrukkelijk ruimer dan die van de Wvg. Onder de Wvg moest sprake zijn van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Dus niet alleen het gevolg (aantoonbare beperkingen) was relevant, ook de oorzaak (ziekte of gebrek). Dat laatste is onder de Wmo niet het geval. Het gaat om het gevolg: ondervindt de persoon beperkingen in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie? Zo ja, dan moet het college in het kader van zijn compensatieplicht voorzieningen treffen. Het is in beginsel niet van belang of lichamelijke klachten al dan niet kunnen worden geobjectiveerd , de beperkingen moeten geobjectiveerd worden. Een geobjectiveerde beperking ten gevolge van bijvoorbeeld een zogenaamde MMOA (medisch moeilijk objectiveerbare aandoening) behoort in beginsel nadrukkelijk wel tot het domein van de Wmo, waar dat onder de Wvg veel minder duidelijk was. Immers, onder de Wvg moest het college alleen een voorziening treffen indien iemand als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen ondervond bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Onder de Wmo is de doelstelling dat het zelfstandig functioneren of de deelname aan het maatschappelijk verkeer van mensen uit de doelgroep wordt behouden of bevorderd. Een rechtstreekse koppeling met beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek is er niet meer en de doelgroep is uitgebreid met mensen met een psychosociaal probleem en een chronisch psychisch probleem.

Compensatie

Compensatie zoals bedoeld in artikel 4 Wmo houdt in dat de burger met een beperking in een gelijkwaardige positie als de burger zonder beperking wordt gebracht. Dit moet worden gezien als een normatief toetsingskader, aldus de regering. In artikel 26 Wmo is bepaald dat in de beschikking met betrekking tot een individuele voorziening wordt gemotiveerd hoe die beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van de betrokkene. Die twee bepalingen vormen samen de belangrijkste artikelen voor toetsing van het genomen besluit door de rechter.

Bij de compensatieplicht wordt dus het resultaat gedefinieerd en niet de weg erheen. Het college heeft dan ook beleidsvrijheid bij de invulling van de verschillende manieren waarop de desbetreffende beperkingen moeten worden gecompenseerd.

In artikel 4, tweede lid, Wmo is een nader toetsingskader neergelegd: het college moet rekening houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Onder die behoeften is sinds 1 januari 2010 ook de verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie begrepen. Tevens moet de capaciteit van de aanvrager om uit het oogpunt van kosten zelf in zijn maatregelen te voorzien worden beoordeeld.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris de strekking van de compensatieplicht van artikel 4 Wmo nog eens toegelicht:

"(...) het is een artikel dat de kern van de wet voor een aantal prestatievelden uitlicht. De werkwijze is: eerst letten op wat bij de burger leeft, en vervolgens maatwerk leveren. Als je dit principe van anders werken toepast op de dingen die je nu al moet doen, zoals bij de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten, dan wordt er met dit artikel benadrukt dat het niet alleen gaat om het aanbieden van producten. Het gaat om maatwerk, de WVG-producten zijn ‘vertaald’ in functies: je moet je in en om de woning kunnen bewegen en je hebt sociale contacten nodig. Daarvoor moet een maatwerkoplossing gevonden worden. Het gaat dus meer om het uitlichten van de bedoeling van de wet, maar dan specifiek gericht op een aantal prestatievelden. (...)"

Toetsing compensatie

Tijdens de parlementaire behandeling kwam de vraag aan de orde hoe kan worden getoetst of de gemeente heeft voldaan aan de resultaatsverplichting. Dat leidde tot artikel 26 Wmo waarin een aanscherping van de motiveringsplicht van gemeenten is vastgelegd. Daarmee is de versterking van de rechtsbescherming van de aanvrager van Wmo-voorzieningen beoogd. Het college van B&W zal moeten aangeven of en in hoeverre het genomen besluit bijdraagt aan het bevorderen dan wel behouden van de deelname aan het maatschappelijk verkeer van mensen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. Voorwaar geen gemakkelijke opdracht. De staatssecretaris zag in de aangescherpte motiveringsplicht als meerwaarde dat bij een eventuele rechtsgang ook de rechter een adequaat handvat zou hebben om te kunnen toetsen of de gemeente in redelijkheid had kunnen komen tot het genomen besluit. Zowel de staatssecretaris als de Kamer gingen ervan uit dat de toetsing marginaal zou zijn.

Dat blijkt een vergissing. De Centrale Raad oordeelt al in zijn eerste Wmo-uitspraak dat noch in de Wmo noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten zijn te vinden voor een terughoudende beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 Wmo genomen besluit. Een dergelijk besluit moet in het individuele geval namelijk maatwerk zijn. Dat kan er zelfs toe leiden dat algemene keuzen van gemeenteraad en college bij de uitvoering van de artikelen Wmo in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijdigheid met de compensatieplicht.

Onbekend is of Anouchka van Miltenburg (VVD) die benadering van de Centrale Raad in gedachten had toen ze onlangs aangaf dat de compensatieplicht wat haar betreft te vaak wordt aangewend om een individueel recht op te eisen. Het laat wel zien dat begrippen als beleidsvrijheid, resultaatsverplichting en marginale toetsing in het concrete proces van wetgeving bij de rechtstreeks betrokkenen een andere betekenis kunnen hebben dan de betekenis die de rechter er uiteindelijk aan geeft. De vraag die zich dan opdringt, is of de integrale toetsing door de rechter voorzienbaar was.

Verhouding tussen bestuur en rechter in de theorie

In het Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht, het NTB, verscheen in 2007 van A. Klap het artikel Rechter en bestuur: communicerende vaten of concurrerende machten? Klap gaat in op de verhouding tussen rechter en bestuur en op de vraag in hoeverre het bestuur bij de bevoegdheidsuitoefening vrijheid heeft ten opzichte van de rechter, en op welke consequenties die vrijheid kan hebben voor de taak en de positie van de rechter. De verhouding tussen bestuur en rechter is gecompliceerd, omdat de terugtredende wetgever bevoegdheden in het leven roept maar die niet of nauwelijks normeert. In welke mate de rechter het handelen van het bestuur kan toetsen, hangt af van de mate waarin de wetgever inhoudelijke normen heeft gesteld. Het is niet altijd duidelijk wanneer de wetgever terugtreedt voor het bestuur en wanneer niet. Vooral bij vage normen is vaak onduidelijk of ze fungeren als instructienorm voor het bestuur of juist als begrenzing van het bestuurlijk handelen. De rechter kan zich daardoor bij zijn toetsing ongemerkt ontpoppen tot ‘plaatsvervangend bestuurder’, aldus Klap. Naar het zich laat aanzien is in het kader van de Wmo sprake van zo’n ontpopping. Ongemerkt wellicht, maar onverwacht?

Voordat een besluit tot stand komt, worden vier fasen doorlopen die elk een beslismoment kennen. De start is de interpretatie van de wettelijke bepaling om de reikwijdte van de bevoegdheid te kunnen vaststellen, daarna volgt de feitenverzameling, vervolgens de kwalificatie van die feiten en uiteindelijk moeten voor zover mogelijk de belangen worden afgewogen. Afhankelijk van de fase van de besluitvorming is er meer of minder sprake van vrijheid. De interpretatie van een wettelijke bepaling is uiteindelijk aan de rechter, net als de vaststelling van de feiten. Met betrekking tot die twee onderdelen van de besluitvorming heeft het bestuur dus geen vrijheid. Wel is er ruimte bij de kwalificatie van de verzamelde feiten en bij de belangenafweging.

Klap merkt in zijn artikel op dat bij de feitenvaststelling een zekere terughoudendheid geboden kan zijn, indien die niet verifieerbaar of objectiveerbaar is, maar dat dat geen marginale toetsing is. Bij de feitenkwalificatie kent de verhouding tussen rechter en bestuur meer problemen. De rechter, zo komt uit de rechtspraak naar voren, oordeelt zelf over de intensiteit van zijn toetsing en doet dat veelal aan de hand van de aard van de uit te oefenen bevoegdheid. Gaat het om begrippen die bepalend zijn voor de (bevoegdheid tot) handhaving en het opleggen van sancties of voor het ontstaan en voortbestaan van uitkeringsrechten, dan is toetsing veelal integraal (objectieve beoordelingsruimte). Gaat het daarentegen om begrippen waarin de bestuurlijke verantwoordelijkheid tot uitdrukking komt, dan is de toets meestal marginaal (beoordelingsvrijheid).

Operationalisering compensatie: ICF

De Wmo heeft, zoals hiervoor reeds uiteengezet, vooral vorm gekregen tijdens de behandeling van de wet in de Tweede Kamer. De compensatieplicht werd in de wet verankerd door middel van een amendement en werd met algemene stemmen aangenomen. In de toelichting op het amendement werd opgenomen dat voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF-classificatie) een uniform begrippenkader biedt dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen. Met de ICF kan door middel van neutraal geformuleerde componenten in algemene termen iemands situatie op tal van levensdomeinen worden beschreven. Vervolgens kan per element worden bepaald of iemand beperkingen op een bepaald terrein ondervindt. De ICF beschrijft het normale functioneren, dat wil zeggen het functioneren van iemand zonder beperkingen en zonder belemmerende factoren. En daarnaast wordt niet alleen beschreven of iemand (bijvoorbeeld) een been mist, maar ook welke beperkingen hij daarvan ondervindt in zijn participatie, de normale deelname aan het maatschappelijke verkeer.

In de rechtspraak is al meer dan eens gewezen op het belang van de ICF. De rechtbank Amsterdam bijvoorbeeld wees op de ICF in een zaak over de verstrekking van een sportrolstoel en overwoog:

“Het meedoen aan activiteiten in het kader van recreatie of vrijetijdsbesteding, waaronder sport en fitnessprogramma’s, is begrepen onder hoofdstuk 9 van de ICF-classificatie dat de titel draagt ‘maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven’.”

Uit artikel 26 Wmo volgt dat het college steeds moet motiveren hoe de genomen beschikking bijdraagt aan de normale maatschappelijke participatie. Daardoor ligt het voor de hand dat de ICF een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de vraag of het college daadwerkelijk heeft voldaan aan de compensatieplicht. Dit vereenvoudigt ook de toetsing door de rechter die aan de hand van de ICF kan nalopen of het college inderdaad aan zijn compensatieverplichting heeft voldaan.

Verhouding tussen bestuur en rechter in de praktijk

De Wmo schrijft dus voor dat het college dient te compenseren. Dat is een resultaatsverbintenis. De rechter heeft voor de toetsing een goed handvat doordat het tweede lid van artikel 4 Wmo expliciet bepaalt dat het college bij het bepalen van de voorzieningen, naast de draagkracht, rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat, gepaard aan de ICF, maakt dat de rechter niet alleen de feitenvaststelling vol kan toetsen, maar ook de kwalificatie van die feiten. Dit is ook terug te vinden in de uitspraken van de Centrale Raad. In zijn standaarduitspraak uit eind 2008 oordeelde de Raad dat de rechter weliswaar de door de gemeenteraad en het college van B&W gemaakte keuzen bij de invulling van de compensatieplicht diende te respecteren, maar dat er geen plaats was voor een terughoudende toetsing van een ter uitvoering van de compensatieplicht genomen besluit. Nadien is deze uitspraak in een reeks andere nader uitgewerkt. Uit artikel 4 Wmo vloeit dus voort dat iemand recht heeft op een voorziening die in de individuele situatie kan worden aangemerkt als compensatie. Weliswaar kan nog steeds het primaat van het collectief vervoer worden gehanteerd, maar dit kan veel minder rigoureus worden toegepast dan onder de Wvg. Het feit dat iemand over een auto beschikt moet bijvoorbeeld worden betrokken bij de vraag of toekenning van collectief vervoer in het specifieke geval de zelfredzaamheid bevordert. Voor gevallen waarin meer dan één voorziening als compensatie voor de vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt, staat het een gemeenteraad vrij te bepalen dat slechts recht bestaat op de goedkoopste compenserende voorziening.

Dit is een hele verandering, en ook een hele verbetering, ten opzichte van de Wvg. Onder de Wvg was het verstrekken van een verantwoorde voorziening – ‘verantwoord’ wil zeggen doelmatig, doeltreffend en cliëntgericht – het beoogde doel. Wat dat precies was, kon niet worden afgeleid uit de wetsgeschiedenis. Bij de totstandkoming van de Wvg had de wetgever slechts mondjesmaat duidelijk gemaakt wat hij in concreto wilde maar ook in abstracto waren weinig aanknopingspunten gegeven. Stoter concludeerde in haar proefschrift dat deze belangenafweging van de wetgever veel te wensen overliet. Van de wetgever mag worden verwacht dat hij een belangenafweging verricht op basis waarvan nadere rechtsvorming kan plaatsvinden. Zonder die afweging is de rechter haast genoodzaakt eigen criteria te hanteren, wat in feite op algemene normstelling neerkomt en voor die taak is hij niet toegerust. De beoogde doelstelling van de Wvg was onvoldoende concreet gesteld en hetzelfde gold voor de nevendoelstellingen. Daarin schuilt een voor de toetsing door de rechter essentieel onderscheid met de Wmo. Waar de Wvg die concrete doelstelling en belangenafweging in abstracto ontbeerde, zijn die bij de Wmo wel aanwezig: de burger dient gecompenseerd te worden en dat is een resultaatsverbintenis. Bovendien is met de ICF een hulpmiddel gegeven aan de hand waarvan niet alleen de burger en het bestuursorgaan de mate van compensatie kunnen bepalen, maar ook de rechter dit kan naproeven.

Conclusie

De conclusie kan dan ook zijn dat een volle toetsing door de rechter was te verwachten als het gaat om de vraag of is voldaan aan de compensatieplicht. Sterker nog, met de wettelijke uitwerking van het compensatiebeginsel in artikel 4, die immers neerkomt op maatwerk, en de garantie van een zorgvuldig aanvraagproces die neergelegd is in de motiveringsverplichting van artikel 26, lag een marginale toetsing allesbehalve voor de hand. De rechter is veel beter dan voorheen onder de Wvg, in staat gesteld om het bereikte resultaat te toetsen, omdat de wetgever in het wetgevingsproces zijn bedoelingen duidelijk heeft gemaakt en daarbij een bruikbaar hulpmiddel (de ICF) heeft aangereikt. De beoogde versterking van de rechtsbescherming voor de burger is dan ook gerealiseerd. De vrijheid die de gemeente rest, is in zekere zin beperkt tot de keuze welke voorziening bij een gelijke mate van compensatie kan worden aangemerkt als goedkoopste. De gemeentelijke vrijheid is in de praktijk al met al uiteindelijk dan ook tamelijk beperkt, hoe weinig dwingend de wettelijke normstelling ook moge lijken.

Staatsblad 2006/351.

Kamerstukken II 2004-2005, 30 1313, nr. 3 p. 6-7.

Zie artikel 1, eerste lid onder g, Wmo.

De doelgroep wordt blijkens artikel 1, eerste lid onder g ten 6e Wmo gevormd door mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem.

Zie M.F. Vermaat, Een puree van vage normen, NJB 2001, p. 1030-1037.

Kamerstukken II 2009-2010, 29 538, nr. 110.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 29, p. 90-91.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nrs. 2 en 3.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 65.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr 3, p. 29. Ook bevestigd door de CRvB, o.a. in CRvB 28 april 2009, LJN BI6832, JWWB2009/166, RSV2009/221 (met noot Bruggeman) en USZ2009/200 en CRvB 26 november 2009, LJN BK4567, JB2010/38 en JWWB2010/38 en Nieuwsbrief jurisprudentie Wmo (Schulinck) 2009, nr. 25 (met noot Van Rooij).

Vz. CRvB 26 november 2009, LJN BK4567.

Kamerstukken I 2005-2006, 30 131, E, p. 25.

Kamerstukken I 2005-2006, 30 131, E, p. 25.

Staatsblad 2009/346, zie ook Kamerstukken II, 2008-2009, 31 795, nr. 12.

Handelingen EK 2005-2006, nr. 34, 30131, pag. 1589-1615.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 49.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 60.

Bedoeld zal - gelet op artikel 4 Wmo - zijn: het college.

Kamerstukken I 2005-2006, 30131, C, p. 57 (staatssecretaris) en Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 49 (Rouvoet, CU).

Zie CRvB 10 december 2008, LJN BG6612, JB2009/47, RSV2009/24 (met noot Bruggeman) en USZ2009/14 (met noot redactie).

De Centrale Raad heeft er inmiddels ook een gewoonte van gemaakt om steeds met een standaard citaat terug te wijzen naar de in de vorige voetnoot genoemde eerste Wmo-uitspraak. Zie bijvoorbeeld CRvB 28 oktober 2009, LJN BK2502, JWWB 2010/11 en RSV 2010/31 (met noot Bruggeman): “(…) onverminderd de rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn.”

Kamerstukken II 2009-2010, 29 538, nr. 110. Het was overigens ook al een punt van zorg voor de Eerste Kamerfractie van de VVD die zich afvroeg of het compensatiebeginsel niet tot gevolg zou hebben dat de oorspronkelijke bedoeling van het wetsontwerp door de grotere garanties aan burgers voor het verkrijgen van voorzieningen nog wel overeind stond, Kamerstukken I 2005-2006, 30 131, C, p. 28.

NTB 2007/8, p. 183-195.

Uitgebreid: Klap.

Klap, p. 193.

Kamerstukken II 2005-2006, 30 131, nr 65.

Handelingen 2005-2006, nr. 46, 30131, Tweede Kamer, pag. 3053-3056.

RIVM, Internationale classificatie van het menselijk functioneren, Houten: Bohn-Stafleu-Van Loghem 2007, en http://www.rivm.nl/who-fic/in/ICFwebuitgave.pdf en http://www.rivm.nl/who-fic/icf.htm.

Zie onder meer Rb. Amsterdam 19 februari 2009, LJN BH6259; Rb. Zwolle-Lelystad 6 november 2009, LJN BK4200.

CRvB 10 december 2008, LJN BG6612.

De Centrale Raad introduceerde de term ‘goedkoopst compenserend’ recentelijk in CRvB 28 oktober 2009, LJN BK3321, RSV 2010/63 (met noot Bruggeman) en Nieuwsbrief jurisprudentie Wmo (Schulinck) 2010, nr. 3 (met noot Van Rooij).

Zie uitgebreid: M.F. Vermaat, Een puree van vage normen, NJB 2001, p. 1030-1037.

P.H.M. Thewissen, Wet voorzieningen gehandicapten, TvGr 1994/5, p. 266-274.

W.S.R. Stoter, Belangenafweging door de wetgever. Een juridisch onderzoek naar criteria voor de belangenafweging van de formele wetgever in relatie tot belangenafweging op bestuursniveau, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2000, p. 285 en p. 324-327.

Dat de vaste toetsingslijn van de Centrale Raad ook is doorgedrongen tot de rechtbanken moge bijvoorbeeld blijken uit twee uitspraken van de rechtbank Dordrecht, welke de zaak in eerste aanleg had afgehandeld die uiteindelijk leidde tot de baanbrekende eerste Wmo-uitspraak van de Centrale Raad. Men zie Rb. Dordrecht 3 april 2009 LJN BI4164 en Rb. Dordrecht 13 november 2009 LJN BK4071, JWWB 2010/14.

Contactgegevens

Willemsparkweg 31
1071 GP, Amsterdam

Postbus 76076
1070 EB Amsterdam

tel: 020-676 66 90
fax: 020 - 676 66 95
email: info@woudegraaf.nl