logo Van der Woude de Graaf Advocaten

Privacy in de gezondheidszorg

Medische stukken, het recht op privacy en een eerlijk proces

Matthijs Vermaat en Inge van der Vlies

Inleiding

Degenen die een voorziening, zorg of een uitkering denken nodig te hebben, kunnen die doorgaans pas krijgen na een medische keuring. Die keuring is voor het bestuursorgaan nodig om een goede beslissing te kunnen nemen. De keurende cq adviserende artsen verwerven door de keuring kennis die voor het bestuursorgaan relevant is, maar niet zonder meer mag worden verstrekt. In het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is er sprake van een medisch advies met betrekking tot de belemmeringen die iemand in zijn participatie, zijn normale deelname aan het maatschappelijk verkeer, ondervindt. De vraag die hier besproken wordt is of de medische informatie die in het kader van de advisering aan het college van B&W wordt vergaard integraal onderdeel uit moet maken van het dossier, of dat de privacy hier grenzen aan stelt. Met die medische gegevens moet natuurlijk vertrouwelijk worden omgegaan. De vraag is vervolgens wie over de medische gegevens mag beschikken bij de voorbereiding van een besluit, bij de procedure in bezwaar over een weigering en voor het proces bij de rechter. Het recht op privacy van iemand die mogelijk recht op een uitkering, een voorziening of zorg heeft, moet worden afgewogen tegenover de beginselen van een eerlijk proces. Die beginselen vergen beschikbaarheid van de relevante medische informatie bij de procespartijen. Zou iedereen over alle informatie beschikken, dan is aan die beginselen wel voldaan, maar kan het recht op privacy te vergaand zijn beperkt. Een complicerende factor is dat voordat de beslissing genomen kan worden, er informatie van verschillende, personen uit de behandelende sector nodig kan zijn. Als gevolg daarvan kunnen veel personen over de informatie komen te beschikken.

Het bestuursrechtelijke kader

Hoe een besluit moet worden genomen is geregeld in de eerste titel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die ook voorschriften op het gebied van het verstrekken van gegevens bevat. In artikel 4:3 Awb is voorgeschreven dat een aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang daarvan voor de beslissing niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en psychologische onderzoeksgegevens. Het belang van de aanvrager bij privacy wordt dus afgewogen tegen het belang van de overheid bij het nemen van de beslissing. Deze verhouding kan echter volgens het tweede lid van het artikel worden veranderd indien een wettelijk voorschrift dat bepaalt. In veel wetten is dat ook gebeurd (Wmo/AWBZ en WAO/WIA).

In het zesde en zevende hoofdstuk van de Awb staat hoe de bezwaarschriftprocedure moet worden afgewikkeld. Bij die procedure rust op het bestuur de verplichting alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage voor de belanghebbende te leggen (art. 7:4, tweede lid). In dit geval is er dus een bijzondere verplichting voor het bestuur voor het verstrekken van gegevens. In geval er een arts bij de besluitvorming is betrokken, zou deze dus zijn dossier moeten overleggen. Het beroepsgeheim en bijzondere wettelijke bepalingen stellen echter wel grenzen aan deze plicht. Er is in ieder geval een beperking tot de stukken die relevant zijn voor de zaak.

Hoe de procedure voor de bestuursrechter moet worden gevoerd is te vinden in hoofdstuk 8 van de Awb, waar ook een bepaling is opgenomen voor het verstrekken van gegevens aan de bestuursrechter en de andere partij (art. 8:42 Awb). Een cruciale verplichting in het proces voor de rechter, is de verplichting van het bestuur alle gegevens aan de rechter te zenden. Deze kan akkoord gaan met kennisneming onder voorwaarden (ar. 8:32 Awb). Uiteindelijk draait het om de belangenafweging tussen het recht op privacy van de aanvrager en het recht op een eerlijk proces voor de betreffende instantie. Zou deze instantie niet kunnen beschikken over het medische dossier of dat niet volledig kunnen opsturen, dan zou dat een gebrek in de feitelijke grondslag voor het besluit kunnen opleveren en de mogelijkheid tot een (gedeeltelijke) afwijzing kunnen beperken.

Privacyregels

De redactie van artikel 4:3 Awb spoort met de redactie van de bepalingen van de grondrechten op het gebied van privacy. De bepaling in de Awb, begint met het recht dat de betrokkene heeft om het verstrekken van gegevens te mogen weigeren. Artikel 10 van de Grondwet bepaalt immers dat ieder recht heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Het recht is ook verwoord in artikel 8, tweede lid, EVRM, dat bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven. Er zijn bovendien meer grondwettelijke bepalingen die hier van belang zijn. Er zijn bepalingen inzake de bestaanszekerheid van de bevolking (art. 20) en bepalingen inzake de volksgezondheid (art. 22). Die bepalingen leiden ertoe dat er een verplichting ligt voor de overheid om ervoor te zorgen dat burgers aan het maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen. De aanvraag om een uitkering en dergelijke is dus niet gericht op het vragen van een gunst, het gaat om een sociaal grondrecht. Zij is ingebed in een grondwettelijk kader dat wordt gekleurd door het recht op lichamelijke en geestelijke integriteit en de positieve verplichtingen van de overheid. Het grondrechtelijke karakter legt verplichtingen op aan de wetgever en de uitvoerende instanties om bijzondere zorgvuldigheid te betrachten in geval hun optreden grondrechten van betrokkenen zou kunnen beperken. Bij de behandeling van aanvragen om bijvoorbeeld een uitkering dient het recht op privacy te worden gerespecteerd en dient er rekening mee te worden gehouden dat die uitkering op zich zelf een sociaal grondrecht is. Uiteindelijk is het aan de rechter om uit te maken welke grenzen in acht moeten worden genomen.

In het geval betrokkene instemt met gegevensverwerking of om een medische handeling te ondergaan met het oog op een uitkering, is het de vraag in hoeverre betrokkenene bescherming verdient op basis van het grondrecht. Volgens het EHRM kan iemand afstand doen, mits dat op ondubbelzinnige wijze gebeurt. Uit de aanvraag voor een uitkering kan die toestemming niet worden afgelezen. Er dienen strengere eisen te worden gesteld, omdat het nu eenmaal om een grondrecht gaat. Een van de eisen is dat het duidelijk is dat de persoon in kwestie vrijwillig toestemming heeft gegeven. Bij de vraag of dat het geval is dient de rechter de omstandigheden na te gaan en de belangen af te wegen. Volgens Verhulp dient hierbij de proportionaliteitstoets te worden uitgevoerd. De toets aan de beperkingen van grondrechten van het EVRM verloopt steeds langs de vraag of er een grondslag is in het nationale recht, zij voorzienbaar is, een legitiem doel heeft en proportioneel is.

De geheimhoudingsplicht

Het recht op privacy van een patiënt wordt bovendien gewaarborgd door het beroepsgeheim van de arts en de geheimhoudingsverplichtingen van andere betrokkenen. Voor zover de arts of andere betrokkene werkt voor een bestuursorgaan geldt voor hem de geheimhoudingsverplichting van artikel 2:5 Awb. Daarnaast kan worden gewezen op de ambtelijke geheimhoudingsverplichtingen. Op grond van zijn geheimhoudingsplicht heeft een arts een verschoningsrecht tegenover de rechter. Voor degenen met wie de arts in zijn beroep werkt geldt dat zij deelgenoot in het geheim kunnen zijn, maar voor het verstrekken van gegevens buiten die kring is toestemming van de patiënt nodig. Zodra het gaat om de beslissingen rond bijvoorbeeld uitkeringen, treden er complicaties op in de geheimhoudingsverplichtingen. Een arts die als keurend (UWV en CIZ) of adviserend (Wmo) arts werkzaam is, is geen hulpverlener in de zin van de WGBO en de WGBO is op zich ook niet van toepassing is (art 7:446 lid 4 BW). In artikel 7:464 lid 2 BW wordt bepaald dat de keurling als eerste kennis mag nemen van het resultaat en in de gelegenheid wordt gesteld het resultaat om toe te staan dat dit aan anderen wordt doorgegeven.

Het recht op een eerlijk proces

Voor de uitoefening van het recht op een eerlijk proces is vereist dat beide partijen en de rechter de beschikking hebben over stukken die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil. Betekent de uitwerking van dit beginsel dat alle medische stukken door de artsen moeten worden overhandigd aan de strijdende partijen en de rechter? De vraag heeft betrekking op medische gegevens van de aanvrager, en betreft in het bijzonder de vraag of de stukken zonder zijn toestemming of medeweten het circuit van de medische deskundigen, advocaten en andere rechtshulpverleners mogen verlaten. Het recht op een eerlijk proces kan met zich brengen dat het recht op privacy van de betrokkene moet worden beperkt. Het is aan de rechter de belangen in een dergelijk geval af te wegen.

De informatie waarom het gaat, rust primair in handen van artsen. Het verkeer tussen de artsen onderling onttrekt zich voor een groot deel aan de waarneming van de zieke werknemer. De arts heeft wel een machtiging nodig. De artsen bepalen voor zichzelf of de privacy van de zieke werknemer niet onevenredig wordt geschaad door hun onderlinge gegevensverkeer. Deze regeling stemt volgens de regering overeen met de regeling van artikel 8:34 en 8:48 Awb.

Vallen alle medische stukken onder de verplichting van het bestuur ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ aan de rechter toe te zenden (artikel 8:42 Awb)? In de jurisprudentie daarover is komen vast te staan dat het bestuur ervoor moet zorgen dat inderdaad alle stukken worden opgestuurd. Een samenvatting is niet voldoende. Het gaat immers om geschriften die onderdeel uitmaken van het primaire en het bestreden besluit. Daardoor is in de informatievoorziening van de rechter voorzien.

Door het voeren van de procedure gaan er andere personen optreden bij de betreffende instantie. Dit punt verdient aandacht omdat voor de aanvrager immers van belang is dat kennisneming van zijn dossier tot zo weinig mogelijk personen beperkt blijft. De kring van degenen die over zijn gegevens beschikken, kan ook worden uitgebreid doordat deskundigen kunnen worden benoemd door de rechter, die bij andere artsen, onder andere de behandelende arts, gegevens kunnen opvragen. Zo ontstaat er een onderlinge gegevensverkeer, met respect voor de privacy (art. 8:48, lid 2, Awb). Het kan zijn dat de behandelend arts over meer gegevens beschikt. Als die een rol gaan spelen in het proces, dan is het uit een oogpunt van een eerlijk proces van belang dat ook de arts van het bestuursorgaan die leert kennen. Hetzelfde geldt dan voor de gemachtigde van het bestuur.

Zou de behandelende arts niet tenminste bij de betrokkene moeten vragen of hij er geen bezwaar tegen heeft dat de gegevens in een bredere kring bekend worden? Zou die vraag positief worden beantwoord, dan wordt de positie van de behandelende arts tegenover de deskundige van de rechter gelijkgeschakeld aan zijn positie tegenover de bedrijfsarts. De gedragscode van de KNMG schrijft voor dat de toestemming van de betrokkene is vereist voor de gegevensverstrekking door de behandelende arts. Bij het weigeren van de toestemming om de gegevens door te geven, ontstaat er in ieder geval een punt waarover de rechter expliciet moet beslissen. Daar het in de procedure dan uiteindelijk de rechter is die het oordeel velt over de redelijkheid van de gewenste geheimhouding, lijken daar geen bezwaren tegen te bestaan.

Het kan juist ook zo zijn dat de belanghebbende van oordeel is dat er ten onrechte gegevens ontbreken. Onvolledigheid van het aan de rechter door het bestuur toegezonden dossier moet door betrokkene gesteld worden. Als de rechter vaststelt dat er nog stukken ontbreken, dan moet het bestuur in de gelegenheid worden gesteld de betreffende stukken in te zenden, dan wel aan te geven waarom bepaalde stukken niet zijn ingezonden. Pas dan kan de rechter met toepassing van art. 8:31 Awb eventueel tot strijd met art. 8:42 Awb concluderen. Indien het bestuur weigert om aan de rechtbank de gevraagde stukken in te zenden, dan leidt dit op grond van art. 8:31 Awb tot vernietiging van de bestreden beslissing. Indien gewichtige redenen zich tegen volledige kennisneming verzetten, dient de met waarborgen omklede procedure van art. 8:29 Awb te worden gevolgd. De gevolgen van een incompleet dossier zijn dus aanzienlijk.

Artikel 8:32, tweede lid 2, Awb regelt dat kennisneming van stukken voorbehouden kan zijn aan een bijzonder gemachtigde, bij voorbeeld de advocaat, bij vrees voor een aantasting van de privacy. De Centrale Raad van Beroep maakt van de mogelijkheid tot beperking van de kring van geïnformeerden nauwelijks gebruik. Tegen kennisneming door een grotere kring wordt geen bezwaar gezien, omdat in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht voldoende garanties zouden zijn gelegen tegen een mogelijke schending van het beroepsgeheim.

Het toestaan van een ruime kring van geïnformeerden vloeit voort uit het recht op een eerlijk proces. Voor vertegenwoordigers van het UWV, het College van B&W, het CIZ en anderen bestaat nu een gelijke procespositie, evenals voor de gemachtigden van de gerechtigden.

De mate waarin de informatie moet worden verleend is ook ruim. Ook geldt het beginsel van de gelijkheid van procespositie. Het beroepsgeheim van de arts, en daarmee de privacy van de aanvrager, moet daarvoor wijken. Het belang van het inzenden van medische stukken zonder toestemming van betrokkene kan dus gerechtvaardigd zijn vanwege het beginsel van de equality of arms.

Juiste afweging?

Bij de vraag of iemand recht heeft op een uitkering, een voorziening of zorg is de feitelijke macht van de overheid bijzonder groot. De achterliggende gedachte is dat betrokkene zijn privacy deels moet opgeven. Wil hij in aanmerking komen voor een uitkering, dan moet hij tenminste bekend maken waarom hij die nodig heeft. Iets in zijn lichaam of geest moet er de aanleiding voor zijn dat hij recht krijgt op een uitkering. De benadering door de rechter staat doorgaans borg voor een ruime kring van geïnformeerden en een royale opvatting over wat nodig is aan informatie.

In de zaak M.S./Zweden betrof de verstrekking van medische gegevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met rugklachten. In het verstrekte medische dossier waren ruim gegevens opgenomen en zij waren alleen ter beschikking gekomen van personen die tot geheimhouding verplicht waren.

Volgens Van der Helm kan uit deze zaak worden afgeleid dat verstrekking van gegevens geoorloofd is indien dat strikt noodzakelijk is voor het doel, onder strikte voorwaarden geschiedt en er waarborgen zijn tegen misbruik. Voor het laatste is het noodzakelijk dat bij schending van de geheimhoudingsplicht een sanctie kan worden opgelegd. De vraag is echter wat onder ‘strikt’ moet worden verstaan.

Men kan zeggen dat in beginsel de mate waarin de rechter recht op informatie heeft, de omvang bepaalt van de mate waarin het bestuur recht op informatie heeft. Die zienswijze doet echter niet zonder meer recht aan het recht op privacy. Dat gebeurt alleen als in sommige gevallen de rechter kan uitmaken hoe royaal de informatieverplichting is. Dat kan nu juist het bestuur niet.

In een uitspraak van 2008 stelt de CRvB uitdrukkelijk dat alle medische stukken naar de rechtbank moeten worden gezonden. De Raad verwijst daarbij naar een uitspraak uit 2000 . De betreffende passage luidt:

Met betrekking tot het oordeel van de rechtbank dat appellant ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden, overweegt de Raad dat uit artikel 8:42 van de Awb voortvloeit dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient in te zenden. Dit geldt ook voor medische stukken die zich onder een adviserende instantie als de GGD bevinden, tenzij de belanghebbende op wie die stukken betrekking hebben geen toestemming geeft voor toezending aan het bestuursorgaan. Dat laatste doet zich in het onderhavige geval voor zodat niet gezegd kan worden dat appellant in casu niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als in voormelde bepaling bedoeld aan de rechtbank heeft toegezonden.

De gedachtegang was dat alleen als je de betrokkene vraagt of hij toestemming geeft, bekend wordt dat hij die al of niet geeft. Die gedachtegang wordt door de Raad verworpen.

Uit diverse uitspraken blijkt dat uit de artikelen 7:4, tweede lid, en 8:42 van de Awb voortvloeit dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage dient te leggen, onderscheidenlijk aan de rechtbank dient in te zenden en dat dit ook geldt voor medische stukken die zich onder een adviserende instantie als CIZ bevinden, tenzij de belanghebbende op wie die stukken betrekking hebben, om reden van bescherming van de persoonlijke levenssfeer, geen toestemming geeft voor toezending van die stukken aan het bestuursorgaan. In de mogelijkheid dat de behandelde relatie door het verstrekken van informatie kan worden verstoord, acht de Raad geen argument gelegen om het vragen van informatie achterwege te laten. Het is aan de behandelende sector om de informatie op prudente wijze te verstrekken.

Wordt de toestemming nu verondersteld? Indien betrokkenen bezwaar zou hebben, maar hem daarom niet wordt gevraagd, dan zou dat niet kenbaar kunnen worden. De instemming van de burger van betrokkene mag niet zo maar worden verondersteld. Hij zou uitdrukkelijk in de gelegenheid moeten worden gesteld aan te geven dat de medische informatie die zich in het dossier bevindt niet mag worden ingezonden. De behandelende sector zou in deze behoorlijk met de opgevraagde medische informatie moeten omgaan. Het dossier dat naar de rechtbank moet hetzelfde zijn als het dossier in de primaire fase en in de bezwaarfase, dat wil zeggen dat eerder gegeven toestemmingen blijven gelden. De CRvB vat dit aldus samen:

In het samenstel van de artikelen 7:12, eerste lid, 3:49 en 3:9 van de Awb ligt besloten dat een besluit dat berust op het advies van een medisch adviseur, zodanig inzichtelijk gemotiveerd dient te zijn dat de belanghebbende zich daartegen gericht teweer kan stellen. Dit betekent dat duidelijk moet zijn op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Voorts ligt daarin besloten dat, indien de belanghebbende het medische advies op een of meer punten concreet onderbouwd weerspreekt, het niet met de in artikel 3:9 van de Awb neergelegde vergewisplicht in overeenstemming is dat het bestuursorgaan daaraan zonder meer voorbijgaat door te volharden in de - enkele - verwijzing naar het advies.

Hiermee is wel een stap gezet in de discussie inzake het al dan niet inzenden van medische stukken. De kwaliteit van de advisering aan de gemeenten en het belang van de privacy moeten beiden worden gediend. De toets van Van der Helm (strikt nodig voor het doel, strikte voorwaarden en strikte waarborgen) zou in ieder geval moeten worden uitgevoerd indien de opvatting van de betrokkene niet is bekendgemaakt. Een stilzwijgende toestemming, opgehangen aan het uitgangspunt dat wie een aanvraag indient en een verdere procedure begint, is een mager uitgangspunt met betrekking tot het recht op privacy en gelet op het feit dat het om een sociaal grondrecht gaat. Het verdient daarom aanbeveling dat bij het verstrekken van medische gegevens in het kader van een aanvraag aan de betrokkene expliciet wordt duidelijk gemaakt dat zijn gegevens in het kader van een eventuele procedure in bezwaar en beroep onderdeel uit zullen maken van het dossier.

Conclusie

Indien de burger bepaalde medische informatie alleen aan de adviserende arts ter beschikking wil stellen, moet hij dat van te voren laten weten. Indien hij dat niet uit eigen beweging doet, moet er naar worden gevraagd indien een arts dit aan een ander bekend wil maken. Binnen de uitkeringsinstantie moeten er bovendien waarborgen worden gecreëerd dat de informatie niet in meer handen komt dan strikt noodzakelijk is. Bij een beroepsprocedure kan rekening worden gehouden met de wensen van de aanvrager en dienen die te worden gerespecteerd. Het is aan belanghebbende te beslissen wat hij het belangrijkste vindt. Het systeem waarin in de loop van de (bezwaar)procedure uitdrukkelijk toestemming moet worden gevraagd, lijkt een evenwichtige afweging te bieden. Weigert betrokkenen die gegevens te overhandigen in die fase, dan kan het punt apart aan de orde komen in de procedure voor de rechter.

Dit artikel is een bewerking van het eerder onder de titel ‘Een eerlijk proces en vertrouwelijke gevens’ verschenen bijdrage in: A.C. Hendrik (red), Grondrechten in de gezondheidszorg, Houten: Bohn Stafleu van Loghem 2010,

Inge van der Vlies is hoogleraar staats en bestuursrecht an de Universiteit van Amsterdam, Matthijs Vermaat is advocaat te Amsterdam en lid van de redactieraad van Schulinck.

Denk aan respectievelijk de WIA, Wmo en AWBZ, maar er zijn meer wetten en regelingen waarin een medische keuring aan de orde is.

Zoals Gevers al schreef: ‘Al lang voordat er sprake was van een maatschappelijke discussie over privacy werd de vertrouwelijkheid van medische gegevens als een groot goed beschouwd.’ J.K.M. Gevers, ‘Het recht op privacy en het beroepsgeheim’ in: J.H. Hubben (red.), De geneeskundige behandelingsovereenkomst, Lochem: de Tijdstroom 1990, p. 33.

Zie verder: F. Vlemminx, Een nieuw profiel van de grondrechten,Een analyse van de prestatieplichten ingevolge klassieke en sociale grondrechten, Deventer: Tjeenk Willink 1998; A.C. Hendriks, Gelijke toegang tot de arbeid voor gehandicapten, Deventer: Kluwer 2000; M.F. Vermaat, Voorzieningen in de Wet voorzieningen gehandicapten: verantwoorde voorziening of participatievoorziening?, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2003, hoofdstuk 3.

I. van der Helm, De privacybescherming van de zieke werknemer, Deventer: Kluwer 2009, p. 49

EHRM 27 augustus 1997, NJ 1999, 464 m.nt. Dute.

E. Verhulp, Grondrechten in het arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 1999 p. 43 e.v.

Kamerstukken II 1995/96, 24 439 nr 3, p.65.

Medische stukken zonder machtiging van betrokkene naar de Rechtbank? M.F. Vermaat en mw mr J. van Beukering, TvGR 2005-8, p. 650-655.

CRvB van 30 juli 1999, RSV 1999/286,

CRvB 26 april 2005, JB 2005/218,CRvB 16 januari 2001, AB 2001/104. Zie ook in vergelijkbare zin CRvB 27 november 1998, JB 1998/286,.

CRvB van 10 oktober 2002, JB 2002/368.

J.C.J. Dute, ‘De privatisering van de Ziektewet/WAO en de bescherming van medische gegevens’, TvGR 1996, p. 474.

CRvB 10 oktober 2002, JB 2002/369.

CRvB 16 januari 2001, AB 2001/104 en Pres. CRvB 27 juli 2001, AB 2001/332.

CRvB 27 november 1998, JB 1998/286.

Als de onderliggende stukken zich niet (meer) bij het bestuursorgaan bevinden, dan zal het bestuur nader onderzoek moeten doen. De omstandigheid dat de (medische) stukken zich bevinden onder een adviserende derde is geen reden om de stukken niet in te zenden, tenzij de belanghebbende expliciet toestemming heeft geweigerd.

CRvB 20 juli 2001, AB 2001/251.

CRvB 10 februari 2004, AB 2004/169 m.n. F. Penning.

Alleen als de gemachtigde teveel met de werkgever kan worden vereenzelvigd kan aan hem bijzondere toestemming van art. 8:32 tweede lid Awb onthouden worden. CRvB 24 februari 2004, USZ 2004/146.

Zie in gelijke zin M. Koolhoven in zijn noot onder CRvB 26 april 2005, USZ 2005/283.

EHRM 27 augustus 1997, NJ 1999, 464.

I. van der Helm, De privacybescherming van de zieke werknemer, Deventer: Kluwer 2009, p. 60.

CRvB 16 januari 2008, BC3807 ,

CRvB 12 december 2000, ZB9092,

CRvB 12 december 2000, LJN ZB9092 en 8 januari 2008, LJN BC3807.

Zie ook CRvB 16 januari 2008, BC3807.

In navolging van een eerdere uitspraak. Zie CRvB 25 juli 2007, BB0694.

Hetzelfde geldt voor keuringen uiteraard.

J.K.M. Gevers, ‘Het recht op privacy en het beroepsgeheim’ in: J.H. Hubben (red.), De geneeskundige behandelingsovereenkomst, Lochem: de Tijdstroom 1990, p. 33-45.

Contactgegevens

Willemsparkweg 31
1071 GP, Amsterdam

Postbus 76076
1070 EB Amsterdam

tel: 020-676 66 90
fax: 020 - 676 66 95
email: info@woudegraaf.nl