logo Van der Woude de Graaf Advocaten

Uitzetting in het belang van het kind?
Kinderbeschermingsmaatregelen en IVRK kunnen een rol spelen bij het tegenhouden van uitzetting van kinderen

Gerrit Jan Pulles

Uitzetting van minderjarigen kan hun rechten en belangen ernstig schaden. Terugkeer naar het land van herkomst kan zeer traumatiserend of zelfs levensgevaarlijk zijn.

Heeft het zin om bij schrijnende gevallen uitzetting te voorkomen door de rechter om een kinderbeschermingsmaatregel - zoals ondertoezichtstelling - te vragen? Daarmee zou voorkomen kunnen worden dat het kind kan worden uitgezet… En welke rol kan het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) daarbij spelen?

Rechtspraak
De rechtspraak volgt naar het lijkt inmiddels de lijn  dat een (dreigende) uitzetting alleen nooit voldoende reden kan zijn om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen. Hierover merkte onder meer de kinderrechter in de rechtbank Noord Holland recentelijk op (25 september 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:8694):

‘Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2008, C07/009 (LJN: BD3135; zie met name de rechtsoverwegingen 3.4.2 en 3.4.5), volgt immers dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van de vreemdeling in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter (in het bijzonder de vreemdelingenrechter). Volgens de Hoge Raad biedt de Vreemdelingenwet 2000 de vreemdeling met betrekking tot de rechtmatigheid van jegens hem als zodanig door een bestuursorgaan op grond van die wet gegeven beschikkingen en verrichte handelingen, een stelsel van rechtsbescherming dat in zodanige mate waarborgt dat de vreemdeling de rechtmatigheid van die beschikkingen en handelingen ter beoordeling kan voorleggen aan de vreemdelingenrechter, dat dienaangaande geen noodzaak bestaat tot aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter. De kinderrechter voegt hieraan toe dat ook de vreemdelingenrechter gehouden is te toetsen aan de rechtstreeks werkende bepalingen van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.

Het feit dat de minderjarigen in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, is evenmin voldoende voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Op grond van de Vreemdelingencirculaire 2000 (A5, paragraaf 2.4) is voor een gezin met minderjarige kinderen vreemdelingenbewaring gedurende een beperkte periode toegestaan. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2010 (LJN: BM5550) is overwogen dat uit deze paragraaf blijkt dat door het stellen van een maximum duur aan vrijheidsontneming van minderjarige kinderen het belang van deze kinderen is betrokken in het door de minister gevoerde beleid. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat niet is gebleken dat, mede bezien in het licht van de in voormeld beleid gestelde maximale duur van de vrijheidsontneming, in een geval als het onderhavige de omstandigheden in het uitzetcentrum tekortschieten voor een toereikend te achten opvang van minderjarige kinderen voor de periode waarin hun die maatregel kan worden opgelegd.

Dat neemt niet weg dat de gevolgen van een dreigende uitzetting en/of vreemdelingenbewaring voor de gemoedstoestand en de ontwikkeling van minderjarigen zo ernstig kunnen zijn, dat zich een noodzaak voordoet tot het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is echter wel vereist dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel. De kinderrechter vindt voor deze visie steun in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2012 (LJN: BX6049) over een verzoek tot ondertoezichtstelling, waarin de beschikking van de voormalige rechtbank Haarlem van 22 mei 2012 met zaaknummer 192258 / JU RK 12-563 is bekrachtigd. In die uitspraak heeft het gerechtshof overwogen dat dreiging van uitzetting, hoe ingrijpend ook, op zichzelf nog niet kan worden beschouwd als een bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of van de gezondheid van de kinderen, ook al is het hof gebleken dat zowel de ouders als de kinderen zich grote zorgen maken over hun toekomst aldaar. Het hof heeft verder overwogen dat afgezien daarvan niet is gebleken dat er momenteel nog problemen in het gezin bestaan van zodanige aard, die niet door vrijwillige hulpverlening zouden kunnen worden verholpen, dat een gedwongen kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.’

Tot zover de rechtbank. Uit het oogpunt van de bescherming van de belangen van het kind is het uitgangspunt zoals geformuleerd in de eerste zin van deze laatste alinea van belang: de gevolgen van een dreigende uitzetting en/of vreemdelingenbewaring kunnen voor de gemoedstoestand en de ontwikkeling van minderjarigen zo ernstig zijn, dat zich een noodzaak voordoet tot het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel.

Twee oordelen
Die benadering vraagt twee oordelen van de rechter - en van de advocaat die een zaak begint:

De beoordeling van de mate waarin de gemoedstoestand en de ontwikkeling van een minderjarige worden geschaad door de dreigende uitzetting. Dat is met name een feitelijke kwestie, die op grond van de uitlatingen van de minderjarige en ander beschikbaar (bewijs)materiaal (door de rechter) kan worden beoordeeld.

De belangenafweging tussen de eisen van een overzichtelijk stelsel van rechtsbescherming en het belang van de Staat bij uitzetting enerzijds en de bescherming van het kind anderzijds. Het is van belang om hier het VN Kinderrechtenverdrag (IVRK) bij te betrekken. In de eerste plaats de algemene beginselen van  de artikelen 2 (non-discriminatie), 3 (het belang van het kind) 6 (het recht op leven en ontwikkeling) en 12 IVRK (het recht te worden gehoord (de artikelen van het IVRK die door het VN Kinderrechtencomité tot kernartikelen zijn bestempeld – zie bijvoorbeeld General Comment No. 5 (2003), CRC/GC/2003/5, par. 12) van het VN Comité voor de Rechten van Het Kind. In de tweede plaats de artikelen die het meest van toepassing zijn op de casus in kwestie. Dat kunnen bijvoorbeeld zijn: artikel 37 (onmenselijke behandeling), artikel 16 (bescherming tegen inmenging in privéleven en persoonlijke integriteit) en 30 (bescherming van de culturele identiteit). Deze drie voorbeelden betreffen artikelen die rechtstreeks kunnen werken (zie de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Goedkeuringswet van het IVRK) en dat maakt een beroep erop krachtiger.

Maar ook andere IVRK-artikelen kunnen door een goede IVRK-advocaat mogelijk met succes bij een belangenafweging betrokken worden.

Contactgegevens

Willemsparkweg 31
1071 GP, Amsterdam

Postbus 76076
1070 EB Amsterdam

tel: 020-676 66 90
fax: 020 - 676 66 95
email: info@woudegraaf.nl