logo Van der Woude de Graaf Advocaten

Vermogenstoets/regeerakkoord – Eigen bijdrage – Wmo en AWBZ …

Mr. dr. M.F. Vermaat –  Van der Woude De Graaf Advocaten

In het regeerakkoord dat op 7 oktober 2010 aan de Tweede Kamer is verstuurd en op 11 oktober 2010 ­bekend is geworden, is aangekondigd dat de bijtelling voor het vaststellen van de eigen bijdrage AWBZ op ­basis van het box 3 vermogen wordt verhoogd van 4% naar 8% op het verzamelinkomen.

Het betreft dus een aankondiging, een mogelijke ontwikkeling van het beleid. Zoals bekend mag worden verondersteld, worden niet alle maatregelen uit een regeerakkoord onverkort uitgevoerd. Er is immers medewerking van het parlement vereist en dat klemt temeer bij dit regeerakkoord, aangezien dit kabinet geen meerderheidskabinet is. Er zal dus per dossier een meerderheid gevonden moeten worden. Dat vergt onderhandelingen en daaruit vloeit vaak een aanpassing van de voorgenomen maatregel voort. Kortom: of de aangekondigde maatregel in zijn voorgenomen vorm ook werkelijkheid zou worden, was ten tijde van het sluiten van het regeerakkoord nog maar zeer de vraag. Vervolgens bleek dat uit de toepassing van de Wet Vermogensinkomens­bijtelling (Wet VIB) zoals die per 1 januari 2013 is ingevoerd, kort gezegd onwenselijke effecten voortvloeiden, en dat heeft met terugwerkende kracht tot aanpassing van de Wet VIB geleid.

De eigen bijdrage is vastgesteld in overeenstemming met de in de Wet VIB, de in het Bijdrage besluit zorg (Bbz) neergelegde berekeningsregels en de bepalingen in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Uitvoeringsregeling AWIR). Toch is eiser van mening dat in de onderhavige zaak geen rekening gehouden had mogen worden met de letselschadevergoeding zoals deze is toegekend.

Het Bbz is dwingend van aard zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in zijn uitspraak van 4 juli 2012 (BX1272) oordeelde. Er is dus in beginsel weinig (tot geen) ruimte om af te wijken van de regels en dan is het aan de rechter om in gevallen waarin de dwingendrechtelijke regel in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn, deze buiten toepassing te laten dan wel onverbindend te verklaren1. De vraag is daarmee aan de orde of er in casu sprake is van een dergelijk geval.

Die aanpassing houdt in dat letselschadevergoedingen die zijn betaald op grond van vaststellingsovereenkomsten en daarmee gelijkgestelde documenten en die dateren van voor 11 oktober 2010 niet bij de berekening van de eigen bijdrage worden meegenomen. De genoemde grens is, zoals gezegd, daar gelegd omdat het vanaf die datum toch voor iedereen duidelijk moet zijn geweest dat de bijtelling eraan zat te komen en dat met de vermogensbijtelling rekening gehouden kon worden.

Zoals hiervoor al gesteld is het lang niet zeker of een regeringsvoornemen ook werkelijkheid wordt. Op onuit­gewerkte plannen kan geen beleid worden gebouwd. Ook niet door eiser noch diens rechtsbijstandverlener. Er moet minstens een flinke mate van zekerheid zijn dat een maatregel daadwerkelijk wordt ingevoerd wil er überhaupt verantwoordelijkheid bij de burger kunnen worden gelegd dat hij zijn handelen op toekomstig beleid afstemt. Overigens: in 2008 was een vermogenstoets nog afgeblazen!

Hier kan een vergelijking worden getrokken met het vertrouwensbeginsel waarop in de rechtspraak regelmatig beroep op wordt gedaan, maar slechts zelden toepassing vindt. De reden is dat er niet snel sprake is van een situatie dat het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt2. A contrario kan dit beginsel hier worden toegepast. De overheid kan niet van de burger verwachten dat deze al zijn handelen afstemt op een situatie die niet uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk is aangekondigd. Hij kon geen rekening houden met de Wet VIB omdat deze er nog niet was.

De stelling dat er rekening gehouden had moeten worden met de voorgenomen maatregelen doet geen recht aan de werkelijkheid. Zoals uit de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam blijkt (r.o. 2.12) is er geen ruimte om van de verzekeraar te eisen dat hij door onderhandelt over het begroten van toekomstige schade, indien er geen behoorlijke mate van waarschijnlijkheid van het intreden van de schade bestaat. Hieruit volgt dat de voorgestane oplossing van het probleem (als u had door onderhandeld dan was het probleem nooit ontstaan, dus het is uw eigen schuld) geen redelijk standpunt is.

Daar kan nog aan worden toegevoegd dat het proces tot regeling van een schade in dit soort zaken een langdurige is: de onderhandelingen waren al ruim voor 11 oktober 2010 gestart met deskundigenberichten, het overeenstemming trachten te bereiken over uitgangspunten van de berekening van het verlies van verdienvermogen etc. De toekenning op 20 april 2011 is daar slechts de formalisering van. Ergens in februari 2011 zijn partijen tot elkaar gekomen, dat is weliswaar na 11 oktober 2010 maar eigenlijk is het een log schip dat nauwelijks is tegen te houden (behalve als er een wetsvoorstel had gelegen).

Het zou het meest begrijpelijk zijn geweest indien de datum van 1 januari 2013 als knip zou zijn aangehouden. Een wet werkt immers pas naar buiten toe indien deze in het Staatsblad of Staatscourant is verschenen. Voor zover er al een datum te noemen zou zijn die eerder ligt dan de inwerkingtreding van de wet zou dat hooguit 16 maart 2012 kunnen zijn omdat pas toen het betreffende wetsvoorstel VIB is ingediend en ook toen pas de werkelijke plannen van de regering duidelijk werden waarmee eventueel rekening zou kunnen worden gehouden. Met andere woorden: de stelling van de staatssecretaris dat op grond van het regeerakkoord anders had kunnen en moeten worden gehandeld om daarmee de negatieve gevolgen te ontlopen/beperken, is een irreële veronderstelling en om die reden kan de Wet VIB niet worden toegepast.

Als er dan een regeling wordt ontworpen Kamer3 om onwenselijke gevolgen voor een bepaalde groep gevallen te verzachten of te voorkomen dan dient die regeling billijk van aard te zijn. Voor zover daar grenzen in worden gesteld mogen deze niet discriminatoir van aard zijn. Dat is wel het geval helaas. Er zijn twee groepen: letselschadegevallen:
1. Gevallen van voor; en
2. Gevallen van na 10 oktober 2010.

De motivering van dit onderscheid is dat groep 2 had kunnen weten en daarnaar had kunnen handelen. Hiervoor is al uitvoerig toegelicht waarom van groep 2 in ieder geval tot aan de indiening van het wetsvoorstel niet gevergd kan worden dat zij hun handelen aanpassen aan nog niet uitgewerkte plannen van de overheid. Te meer nu ook nog eens is gebleken dat de rechter in zulke gevallen onvoldoende waarschijnlijkheid aanwezig acht om de verzekeraar tot dooronderhandelen te dwingen.

Voor zover het voorgaande niet leidt tot het beoogde doel (buiten toepassing laten van de Wet VIB) voor gevallen als het onderhavige, zal het toch wel tot het buiten toepassing laten van de datum van 10 oktober 2010 in art. 9bis, eerste lid sub b Uitvoeringsregeling Awir moeten leiden.

Bron: PIV-Bulletin 2014, 3

1 CRvB 19 februari 1987, AL7925, CRvB 3 oktober 2001, AD7575 en CRvB 2 oktober 2008, BG1084.
2 O.a. CRvB 19 november 2009, BK4735.
3 Brief d.d. 26 juni 2013 van de staatssecretaris van VWS aan de voorzitter van de Tweede Kamer Vermogensinkomensbijtelling ­eigen bijdrage AWBZ/WMO, kenmerk 123144-105010-Z.

Contactgegevens

Willemsparkweg 31
1071 GP, Amsterdam

Postbus 76076
1070 EB Amsterdam

tel: 020-676 66 90
fax: 020 - 676 66 95
email: info@woudegraaf.nl